White noise

 

"zelfs daar, half verdoofd zwevend in een tandartsstoel in een verblindend witte cel was de wereld nooit absoluut stil"

Is het mogelijk om degelijk denkwerk te verrichten met geluid op de achtergrond? En wanneer wordt geluid storend? Ik vroeg het me af terwijl ik naar Olivier Messiaen’s Oiseaux Exotiques luisterde en tegelijk een tekst studeerde. Dat wilde namelijk best lukken. En dat terwijl ik lang in de jammerlijke veronderstelling had vertoefd dat stilte nodig was voor dat toch al overschatte denkwerk. Stilte zoog het kabinet vacuüm en maakte haar steriel, zodat tere gedachtenisjes veilig ter wereld kwamen. Zoiets. Onzin natuurlijk. Er zijn bibliotheken die bezoekers met dikke boeken, niet zelden puffende studenten, vergasten in een stiltekamer—nooit meer dan een groot uitgevallen isoleercel. Gematerialiseerde contemplatie, waar de verdampte concentratie per airconditioningsysteem werd afgevoerd. Natuurlijk, airconditioning! Vibraties, wind, geronk. Er zijn altijd wel vibraties in de wereld rondom ons. Meer nog, het lijkt erop dat ook als ons brein niets hoort, de geest ons wel hallucinatoire geluiden voorschotelt. Stiltekamers zijn nooit echt stil. Het Hasseltse kunstencentrum Z33 bouwde ooit de installatie Camera Silens van Rob Moonen en Olaf Arndt op voor de tentoonstelling ‘Excess’. De stille kamer is een volledig geluiddichte kubus met daarin een tandartsenstoel. De installatie was voorafgegaan door een experiment van psychiater Jan Gross en zijn collega Peter Kempe die een bijna geluidsdichte cel hadden gebouw om onderzoek te doen naar de effecten van ‘sociale isolatie en zintuiglijke ontbering’. Interessant is dat om het kabinet daadwerkelijk geluidsdicht te maken, een vrachtwagen met ettelijke tonkilo’s materiaal werd aangevoerd. De stille kamer was een bunker van staal en schuimrubber, waar de stilte zich verschanste achter meters aan isolatie tegen het rumoer in de museumzaal. En zelfs daar, half verdoofd zwevend in een tandartsstoel in een verblindend witte cel was de wereld nooit absoluut stil. Zoals John Cage al wist is er nog altijd dat averechtse menselijk lichaam dat pompt, stroomt, broeit, bloedt, borrelt, rochelt, kucht, ademt en blaast. Stiltekamers zijn nooit echt stil—stilte versterkt het kleine geluid. Maar hoe het dan stil krijgen in die hersenpan—ook een kamer? Misschien dan wel door lawaai. In laboratoria waar onderzoek wordt gedaan naar zang en gedrag van vogels worden jonge vogels in afzondering van elkaar liedjes aangeleerd met geluidsopnames. Jongelingen die nooit eerder in contact zijn geweest met vogelzang leren er te zingen. Die laboratoria zijn netjes geïsoleerd. Maar om te voorkomen dat de proefdieren, tijdens het schoonmaken van de hokken, geen liedjes aanleren van hun soortgenoten aan de straatkant of de fluitende poetsvrouw wordt geluid afgespeeld. White noise. Lawaai dus, maar dan wit en derhalve steriel, betekenisloos en ongevaarlijk. Bijna stilte. Net zoals stilte ander lawaai genereert, lijkt lawaai hier stilte op te roepen. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat Messiaen’s tsjirpende composities lawaai zijn—ze zijn alleen geen stilte.